Ton Cats (1943) is jurist, neerlandicus en inmiddels ook een Tachtiger. Dit panorama belicht zijn liefde voor de Nederlandse letteren, van Esmoreit tot Elsschot. Eerder verscheen van zijn hand de gedichtenbundel Men weegt kaneel bij ’t lood. Riet van Haeringen (neerlandica, theologe en dichteres) was zijn lerares Nederlands en schreef over zijn gedichten: ‘Zijn gedichten zijn opmerkelijk; ze hebben iets ouderwetsigs, qua stijl en (dus) qua inhoud; filosofisch, een beetje onzeker, en juist daarin ook resoluut.’ Maria Goos (toneelschrijfster) was zijn leerlinge op de middelbare school. Zij schreef in de Volkskrant: ‘… godallemachtig, wat hield die man van taal’. Pavlov maakte in opdracht van zoon Twan Cats een boekje met een mooi panorama van de Nederlandse letteren in 64 pagina’s.
Op mijn tachtigste wilde ik een boekje uitgeven waarvan ik alleen de titel wist: Goed, nog één keer dan. Er moest in komen te staan wat ik in mijn hele leven gedacht en gelezen heb over het begrip literatuur en vooral dan wat er is overgebleven na lang ‘zeven’ van de Nederlandse literatuur. Wat is er overeind gebleven? En vooral ook: wat is er overeind gebleven van de laatste honderd jaar? Hoe zie ik die eeuw als tijdvak, welke naam geef ik eraan en waarom?
Voor het antwoord gebruik ik voor het tweede deel van de twintigste eeuw twee moderne auteurs: Oek de Jong en Rascha Peper. Daarnaast komen allerlei vragen langs, zoals ‘Wat is literatuur?’, ‘Wat is er overgebleven van de ‘echte’ literatuur van 1200 tot 2100?’, ‘Wat is de functie van letterkunde?’, ‘Hoe benoem ik de laatste periode van de 20ste en vroege 21ste eeuw?’, ‘Geldt de wet actie wekt reactie ook voor de literatuurgeschiedenis?’, ‘Wat is de merkwaardige rol van de ‘burgerman’ in die literatuur?’ en ‘Wat is de toestand in de Nederlandse literatuur na het rampjaar 1968?’.
In het tweede deel, ‘Klei’ wil ik het hebben over de vorm van literatuur (ritme, klank, rijm, plastiek/beeldspraak, strofebouw en stijlfiguren). Dat gaat dan met name om de poëzie, en als voorbeeld neem ik daarbij Mijn vlakke land van Jacques Brel (of beter: van Ernst van Altena). Ook iets, heel weinig, over taalkunde. Vrij veel uit de periode 1900 tot ongeveer 1980 (een uitvoerige opsomming van auteurs en boeken). Een hoofdstuk over het verschil tussen proza en poëzie. Tenslotte het beste gedicht van de 20ste eeuw: ‘Het huwelijk’ van Willem Elsschot.